
In augustus 1970 overleed mijn schoonvader (oom Jaap). De oproep om snel naar het ziekenhuis te komen bereikte mij boven op een bouwwerk in aanbouw, waar ik elektrapijpen aan het vastbinden was voordat deze onder het beton zouden verdwijnen. Het uitzicht wat ik daar boven op dat bouwwerk had deed mij later denken aan een ander uitzicht, toen een maand of twee geleden. Ik stond samen met hem op de hoogste verdieping van een galerijflat. Het was helder weer en het zicht was zeer goed. Om met hem zoiets te beleven was een feest op zich. Op de een of andere manier gaf hij je het gevoel dat de dingen intensiever beleefd konden worden dan dat je gewoon was te doen. Ik leerde hem kennen in de tijd dat hij het jeugd ouderlingsschap in de gereformeerde kerk bekleedde. Hij trok mijn aandacht en niet alleen omdat hij de vader was van het meisje waar ik mijn zinnen op had gezet, maar ook en vooral door de ernst waarmee hij de bij dit ambt behorende voorgangersactiviteiten uitvoerde. Opvallend was het gemak waarmee hij dit kon afwisselen met een leidende rol in een meestal luidruchtige, maar tot ieders vermaak gevoerde groepsdiscussie. Aan de tafel waar hij zat werd altijd gelachen. Mijn schoonvader hield van avontuur.
Hij moest er dan ook veel op uit; naar den vreemde, naar het onbekende, naar het vermeende gevaar. Rellen in Amsterdam in de jaren zestig, tochten naar de Muur in Berlijn, mannentochten naar de Biesbosch (de term "mannentocht" zal ongetwijfeld van hem zijn), Rotterdam zien toen die stad net gebombardeerd was. In 1953 heeft hij als vooraanstaand Rode-Kruiser het rampgebied in Zeeland bezocht. Het verhaal gaat, dat hij met zijn lieslaarzen aan en een zuidwester op, bij de telefoon zat in afwachting van een oproep. Waarom dit hele verhaal? Allereerst als een soort eerbetoon aan mijn schoonvader: Het was een bijzonder mens wiens uitstraling een blijvende invloed op mij heeft gehad. Een andere reden is een reactie te geven op de provocerende opsomming van de leden van de "Jaap tak" die nog niets hadden geschreven. De hang naar avontuur was natuurlijk niet iets specifieks van mijn schoonvader, maar komt in de hele Stenenfamilie voor. U leze maar het verslag van het mannenweekend van G.J. van der Steen (Jaap-tak) in ditzelfde nummer, of eerdere verslagen van midwinter overlevingstochten of beschrijvingen van bezoeken aan het oude Sovjet-imperium in vorige nummers. Een derde reden om dit stukje te schrijven is dan ook een poging om deze familietrek in een wat breder kader te plaatsen. Er is kennelijk een behoefte aan, maar ook een vermogen tot het zwak brandend vuurtje van het gewone alledaagse leven flink op te stoken.

De hitte van het vuur geeft kennelijk het gevoel van het echte leven. De oudere generatie had het misschien wat makkelijker om dit vuur te voelen branden. Vijf jaar lang een oorlog aan dan lijve ondervinden gaat natuurlijk veel verder dan welke overlevingstocht of wereldcrisis dan ook. Maar ook in het denken moeten zij een soort oorlogstijd meegemaakt hebben. Van huis uit christelijk opgevoed, moesten zij omgaan met een wereld die zo’n gesloten geestelijk bouwwerk niet langer accepteerde. Het zal hard aangekomen zijn toen dit zich ook in de gezinnen ging openbaren. Toch hebben zij gedaan wat zij moesten doen. Zij hebben onze generatie laten zien dat het leven, individueel, in gezins- of familieverband, pas de moeite waard wordt als er brandstof verzameld wordt om het vuur te kunnen opstoken. En dat een belangrijk deel van deze brandstof van fijne kwaliteit moet zijn, om zo onze geest zijn rust te gunnen en om ons hart te doen ontsteken. Een familiereünie wordt niet zomaar gehouden.