
In een artikel van J. Verheul over Het verdwenen visserijbedrijf van Pernis, lezen we o.a.: De Pernissers stonden als stoere, onverschrokken en ervaren vissers bekend, zelfs zoo dat rederijen elders gevestigd, meermalen de equipage voor hun visschepen te Pernis aanmonsterden. Speciaal in Vlaardingen en Maassluis werden zij gaarne onder de bemanning opgenomen.
De Pernisser vissers stonden zó algemeen als bekwame beugvissers bekend, dat men te Antwerpen en Zierikzee vissers uit Pernis aanstelde om onderricht te geven in het uitoefenen der beugvisserij.' Tot zover Verheul.
Mede hierdoor weten we dat het dappere, eenvoudige, zeer vakbekwame en uiterst vrome lieden waren. Omdat ze doorgaans op zee waren is er weinig bekend over hun sociale leven aan de wal, zo ze dat al hadden.
Maar ook over hun leven op zee is verder erg weinig bekend. Er bestaat eigenlijk maar een goed gedocumenteerd verslag van een winterreis met een Pernisser beugvisser. Marine officier L.R. Koolemans Beynen maakte in februari 1879 een reis mee. Zijn volledige verslag vindt u op deze site onder 'Verhalen'.
Wie kan ons beter verslag doen van zo'n reis dan Koolemans Beynen? We hebben hieronder een aantal citaten voor u samengevat die een goed beeld geven van deze vissers.
Koolemans Beynen:
Ik wist niet dat er op onze zeekust zulke edele, oorspronkelijke, stoutmoedige en godsdienstige helden leefden, en het heeft mij meer genoegen gedaan dan ik zeggen kan om met hen kennis te maken. Ze zijn in menig opzicht grote kinderen, doch ze hebben al de machtige hoedanigheden geërfd van onze moedige zee vaders in de 17de eeuw, en wanneer ik nu nog denk aan de laatste veertien dagen, dan is het nog of ik een aangename droom heb gedroomd en of ik enige tijd heb doorgebracht met een troep zeevolk dat onder de oude Barents zelf gediend heeft. Wanneer we van en naar de visgronden zeilden, bracht ik de avonduren door in het vooronder, en vertelde ik hun van onze helden der IJszee, en geschiedenissen uit de jaarboeken der Hollandse walvisvaarders, toen deze eenvoudige schippers de eerste ontdekkers waren in het noorden. Dit waren heerlijke ogenblikken, wanneer ik vol ware zeeman’ s geestdrift was.
Grote kinderen, die hun eigen krachten niet kennen, zijn ze aan wal, waar de maatschappij hun vreemd is. Vooral zijn ze gul, hartelijk en vroom, en zonder er zelf bewust van te wezen, zijn zij de bewaarders der deugden onzer zee vaders. In gedachten, kleding, wijze van voeding, opvatting van godsdienstige en maatschappelijke toestanden, in alles komen zij volkomen overeen met ons zeevolk van 200 jaren geleden, en dit is niet stelselmatig aangekweekt, maar ze hebben van vader op zoon die begrippen en opvattingen geërfd, waardoor de oude zeden en gewoonten voortleven.
Van de vaderlandse geschiedenis weten zij bijna niets. Zelfs De Ruyter en Tromp zijn bij hen onbekende grootheden; ze weten van hun daden, maar niets van hun namen, en ik herdenk nog met verbazing het gezegde van een hunner, toen wij over die grote zeevaarders spraken: Ja!, ja!, ‘t waren vrome zeehelden in die dagen. Daar heb je die Erasmus, die te Rotterdam staat.
Van oudsher stonden de Pernissers bij het zeevolk als bijzonder godsdienstig bekend, en het tegenwoordig geslacht eert ook in dit opzicht de nagedachtenis der vaderen door hun voorbeeld te volgen. De dagen, dat er niet gevist wordt, houden zij elke avond een korte godsdienstoefening, en ‘s zondags (op welke dag zij nimmer vissen) heeft dit bovendien ook 's morgens plaats.
Daar wij niet visten, maar naar de visgronden zeilden, had heden de gewone godsdienstoefening eenvoudig en ernstig plaats. Twaalf in linnen zakjes geborgen Bijbels worden rondgedeeld, en als de hoofden ontbloot zijn, leest Albert een psalm voor, die weldra door allen wordt aangeheven.
Berthie leest daarop een kapittel uit het Evangelie van Johannes. Er wordt opnieuw een psalmvers gezongen en de schipper besluit de plechtigheid met een toepasselijk gebed uit de Godvrezende Zeeman of de Nieuwe Christelijke Zeevaart, waarvan in 1725 de vijfde druk te Amsterdam het licht zag.
Nadat de Bijbels opgehaald en weggeborgen zijn, gebiedt Albert: Bidden, kleine Jan, en hoewel ik te vergeefs moeite doe, de aangesprokene op de donkere achtergrond te ontdekken, hoor ik een zwakke, slaperige kinderstem halfluid het Onze Vader bidden, waarna het avondeten wordt opgedist.
Maar al kennen ze de geschiedenis niet, de traditie leeft in hen. Het zijn Geuzen, fijn gereformeerd en bijzonder godsdienstig. Uit tal van legenden en zeemansverhalen blijkt echter hun bijgelovigheid.
Vooral Leen Ketting had er een onuitputtelijke voorraad van. Ik herinner mij onder andere een verhaal van mijn vader, zei hij eens, die een reep schieter aan boord had, die zijn ziel aan de Böze had verkocht.
Op zekere avond, ‘t was een koude winteravond toen het vroor dat het kraakte en want en scheepje een ijsklomp geleken, stond mijn vader aan het roer, toen onverwacht de reep schieter aan dek kwam snellen en mijn vader toeriep: Nee, schipper! nu kan ik het beneden niet langer uithouden, want de Böze zelf zit bij de kombuis en die wil me meenemen.
Mijn vader deed een kort gebed, en daardoor aangemoedigd, ging hij zelf naar omlaag en zag in ‘t rokerige logies, waarin de gehele bemanning lag te slapen, de duivel zelf de handen boven de kombuis warmen.
Toen mijn vader dit zag, werd hij dan toch wel zo kittig boos, dat hij de Böze toeriep, wat hij bij hem aan boord kwam doen, en toen de duivel zei: Ik kom de reep schieter halen, die zijn ziel aan mij verkocht heeft en die dus in mijn dienst is, antwoordde mijn vader hem onbevreesd, dat hij zelf hem betaalde en hij dus in zijn dienst en van niemand anders was. Ja, hij sprak hem zo flink aan, dat de duivel, toen hij van boord ging, de reep schieter twee jaar uitstel schonk.
En de Böze hield woord ook. Gedurende twee jaar werd de reep schieter niets meer van hem gewaar en hij en mijn vader waren ‘t geval schoon vergeten, doch dit was bij Satan helaas niet het geval, want juist die zelfde dag, twee jaar later, lag mijn vader met zijn hoeker voor Maassluis, waar de reep schieter hem in de jol naar de wal bracht, aan niets denkend.
Eerst 's avonds keerde mijn vader aan boord terug, waar hij tot zijn grote droefheid vernam dat de reep schieter verdronken was en de jol zonder iemand er in langszij aan boord was gedreven.
't Was bijster duidelijk. De Böze had woord gehouden en had de reep schieter, na twee jaar uitstel, weggehaald.
Het zijn ferme kerels, die Hollandse vissers! Er klopt een mannen hart onder die boezeroenen. Van hun jeugd af is de Noordzee hun woning, en bij mist of ontij zijn zij overal in de zee thuis, dank zij hun scherp geoefend zeemansoog, dat werkelijk buitengewoon is. Gij moest als ik gezien hebben hoe ze door aanhoudende oefening zulk een scherpziend oog hebben gekregen, dat ze bij donker of mistig weer zeer ver op zee een boot ontdekken en er de beweging van kunnen volgen. Ze kennen alle geluiden der zee, en zouden het zachtste gedruis van een naderende sloep vernemen, terwijl een ander niets zou horen dan het ruisen der golven of het klagen van de wind.
Opmerkelijk is het ook, hoe weinig nachtrust zij behoeven. Wordt er niet gevist, dan kunnen zij de wijzers rond slapen, maar nauwelijks is ‘t vissen mogelijk, of met onverstoorbare toewijding kunnen zij dag en nacht door vissen. Zij zijn gehard tegen weer en wind, sterk, kloek, arbeidzaam en eenvoudig.
Weet u wat voor mannen die Pernissers zijn? Ik herinner mij in 1871 een milicien uit Pernis aan boord te hebben gehad, wiens polsen zo dik waren, dat wij op het schip geen handboeien hadden wijd genoeg om ons in staat te stellen hem in de boeien te slaan. En ze krijgen zulke spieren, omdat ze van jongs af een beuglijn van 15000 meter, die druipt van ijskoud zeewater, hebben in te palmen.
De beugers zijn weinig bespraakt, zei ik reeds, maar zij denken veel: Aan hun vader, die nooit weer thuis kwam, aan zijn oudste jongen, die met een stuk water overboord spoelde, of aan de broers, die nimmer van de reis terugkeerden.
Arme, dappere, eenvoudige vissers, vroeg of laat wordt de Noordzee (dat onmetelijke kerkhof) ook hun graf. Zij weten het wel, die kloeke harten, maar van hun jeugd af zijn ze met dit denkbeeld vertrouwd geraakt. Zo lang ik vaar, zegt Albert, werden er maar drie vissers te Pernis aan de wal begraven. De rest bleef op zee.
Weten wij wel, dat de vis, die wij eten, zo duur betaald is?
Wij, van de marine, verwonderen ons wel eens hoe vissers zo, zonder sterrenkundige waarnemingen te doen, de weg op zee kunnen vinden en de kust kunnen aanlopen, waar ze maar willen. Maar ze kennen de grond van de zee en voelen met het lood hun weg.
Bij het naar huis zeilen verkennen ze zich eerst aan de Doggersbank. Meer dan ergens anders kan de zee hier [De Doggersbank (JenCvdS)] spoken en razen, en de vissers verhalen spreken van verbazende grond- en stortzeeën, die het ongelukkig daar tussen verzeilde vaartuig van alle kanten bestoken en onderdompelen, en de kleine vissloepen door water overstelpt doen zinken.
Het hangt af van de diepte, welke zij loden, of zij Z. ten W., of Z. ten O. naar wal sturen. Vooral bij Z. wind maken ze dat ze goed bovenwinds van het gat blijven, en lopen dan stoutweg juist zo lang naar wal totdat ze land zien.
Vooral bij mistig weer is het moeilijk om onze lage vlakke kust aan te lopen, maar onze Pernissers doen het met alle zeilen bij, en ze hebben geen vrees voor land voordat ze de koeten zien. Deze vogels die men niet met meeuwen verwarren moet vliegen in alle seizoenen enkel in het gezicht van de kust en laag bij het water. Ze zijn onwaardeerbare bakens voor de vissers, en behoorden door de wet beschermd te worden, want ze zijn de vrienden, die de zeeman waarschuwen dat hij dicht bij de wal is.
Albert roept omlaag: ‘De koeten zijn gezien!’ en onmiddellijk worden de topzeilen ingenomen en loodt men de grond. Terwijl een visser dit doet, klinkt het ‘land!’ en we zien het Wijkerduin, met het ronde koepeltje op de noordzijde, flauw door de nevel heen schemeren. We stonden vlak onder de wal in vijf vaam water.
Iets later zagen we de twee torens van IJmuiden, en toen de twee torens van Egmond. Het bleef dik weer, doch onverschrokken liep Albert het Schulpengat bij Den Helder binnen, het lood gaande houdend, en zich precies in vijf vaam water aan de wal vast klampend.
Straks, toen we in de koude winternacht voor een killen wind naar huis zeilden, hadden ze na het avondeten afscheid van mij genomen. Terwijl ik weer in hun midden zat in het enge berookte scheepsruim, hadden zij allen eerbiedig de oude zuidwester van het hoofd genomen, want de oude grijze visser had hun voorgesteld, om met het oog op mijn aanstaand vertrek naar Indië, mij een paar verzen uit Psalm 33 toe te zingen. Zonder enig vertoon deden ze dit, en de zware mannenstemmen hieven een psalm aan, dat mij de ogen omhoog deed slaan.
‘t Is God, aan tijd noch plaats verbonden,
Wiens toezicht over alles gaat;
Die ‘t harte vormt en kan doorgronden,
Die aller werken gadeslaat.
Schilden, bogen, dolken,
Dappere oorlogswolken,
Wijsheid, moed noch kracht,
Kunnen ooit in ‘t strijden
Enig vorst bevrijden,
Zonder ‘s Heren macht.
Laat ons alom zijn lof ontvouwen:
In Hem verblijdt zich ons gemoed,
Omdat wij op zijn naam vertrouwen,
Dien naam zo heilig, groot en goed.
Want de Heer der heren,
Doet ons triomferen,
Hij, geducht in macht,
Slaat elk gunstig gade,
Die op zijn genade in benauwdheid wacht.
Mij had die psalm, door de trouwe kinderen der zeeën hun nieuwe vriend toegezongen, meer goed gedaan dan ik zeggen kan. Het moedgevend lofgezang van hen die werken zal zegevieren op het doffe gebrom der klagers die niets doen, dacht ik.
Tot zo ver Koolemans Beynen.
Het leven van een Pernisser visser in de 16e-17e-18e en 19e eeuw had dus veel van een Russische roulette. Met name de beugvisserij in de winter was een gevaarlijke onderneming. De mannen waren zich daarvan bewust, zo lijkt het. Er zijn (misschien wel daarom) vrij veel foto's gemaakt van deze mannen, zodat men die kon koesteren als zij in zee gebleven waren.
We kunnen ons haast geen voorstelling maken van wat er in die gezinnen omging. De vrouwen hadden weinig anders dan hun geloof en zullen heel wat afgebeden hebben, vooral in tijden van storm.
In de kerk werd dan de zeemanspsalm (107) gezongen:
Oh wil verhoren onze bêe, voor hen die in nood zijn op zee.
En als er dan weer een onheilstijding was binnengekomen dan ging de roep van de dorpsomroeper door het dorp:
Vrouwen in kinderen thuisblijven.
Wat zal er in die beklagenswaardige vrouwen omgegaan zijn, om welk schip zou het gaan? Er waren soms wel zeven/acht schepen buitengaats. Welk gezin zou getroffen zijn? Ondraaglijke spanningen. Wie zou er alleen achterblijven, veelal met een hele sleep kinderen?
We citeren M.P. Van der Steen uit de Onderste Steen:
Schrijnend was de nood waarin gezinnen van de omgekomen vissers kwamen te verkeren. De ondersteuning die het in 1868 opgerichte visserij fonds in 1900 uitkeerde bedroeg voor 61 weduwen, wezen en oudere vissers in totaal 2016 gld.
Dat was gemiddeld 63 cent per persoon per week. In die tijd was het ook gebruikelijk om een beroep te doen op de vrijgevigheid van de landelijke bevolking door middel van advertenties in dagbladen of door benefiet concerten, zoals blijkt uit een aankondiging (zie blz. 46 van de Onderste Steen) die mede werd gehouden ten behoeve van de nagelaten betrekkingen van de op 22 januari 1896 omgekomen bemanning van de vissloep Eersteling, van schipper Bastiaan van der Steen (115.543.324). Het behoeft geen betoog dat een weduwe, naast de verzorging van het vaak talrijke gezin, ook nog met breien, wassen en kleren verstellen voor anderen iets bij probeerde te verdienen om het hoofd boven water te kunnen houden. Ook de weduwen van de omgekomen Van der Steen'en konden over armoede meepraten. Tot zo ver M.P. Van der Steen.
Laten we deze familieleden met gepaste eerbied gedenken.