
De Schepping
(I) Is er wel één Bijbelverhaal dat zoo van alle zijden is besproken als het scheppingsverhaal.
Van alle zijden is dit verhaal aangevallen, bespot en bestreden. Alle wetenschappelijke apparaten zijn in stelling gebracht om de onhoudbaarheid en onwaarschijnlijkheid er van aan te toonen. Allerlei theorieën zijn opgesteld om het scheppingsverhaal te vervangen; men ging daarbij zoover dat meeningen werden verkondigd, waarvoor een geloof werd vereist grooter dan gevraagd wordt voor het meegedeelde in Genesis, andere geleerden volgden en toonden de onhoudbaarheid en het onlogische in vorige stellingen aan, om weer geloof te vragen voor weer andere theorieën, die ook ten doel hadden het Genesis verhaal ongeloofwaardig te maken.
(II) Een van de redenen van dit streven is misschien ook wel het feit, dat het scheppingsverhaal zich niet leent om proefondervindelijk bewezen te worden; geen getuigen waren aanwezig; het herhaalt zich niet; en de mensch aangelegd op het aanschouwen wil altijd het onbegrepene, het onverklaarbare brengen binnen de kring van het begrijpen.
Het scheppingsverhaal is echter een geloofsstuk rustend op de door ons gegeven openbaring. De Algemene Chr. Geloofsbelijdenis vangt dan ook aan met het “Ik geloof in God den Vader schepper van hemel en aarde”.
Hierover spreken ons de eerste Bijbelwoorden in het majestueuze: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde”.
(III) Iemand heeft eens gezegd “al wisten wij van de Gods openbaring niets anders dan deze woorden dan zou het meer dan voldoende zijn om er ons leven lang over te peinzen”.
Immers “scheppen”en “in den beginne” zijn reeds twee zaken waar wij ten volle niet mee klaar komen.
Wat is scheppen? Het is een almachtige daad Gods waardoor hij zijn eeuwig raadsbesluit verwerkelijkt; het is het tot aanzijn roepen van datgene wat er niet was, zonder andere oorzaak dan de wil van den Schepper. Gij hebt alle dingen geschapen en door Uw wil zijn zij en zijn zij geschapen, Openb. 4:11. Hij spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er, Ps. 33:9. Zo lezen wij gedurig in het scheppingsverhaal “en God zeide”.
(IV) Het spreken Gods, het door zijn wil verwerkelijken van Zijn raadsbesluit is het scheppen Gods. In zekere zin is dus de uitvoering van Gods raadsplan en schepping, herschepping en voleindiging een grote scheppingsdaad Gods.
Wij zijn echter gewoon onder de schepping alleen te verstaan het allereerste ontstaan der dingen en niet het bestaan en voortbestaan ervan. (In deze zin is ook het onderwerp van deze avond bedoeld.)
Uit het bovenstaande vloeit voort dat de vaak gebruikte omschrijving van “scheppen is iets uit niets voortbrengen” niet geheel de zaak weergeeft.
(V) Uit niets komt nimmer iets, aan al het “iets” ligt Gods soevereine wil ten grondslag. Ook in het scheppingsverhaal lezen wij niet van “iets uit niets” maar wel “de aarde brenge voort” en “dat de wateren overvloediglijk voortbrenge”. Met het “iets uit niets” wil men dan ook niet ontkennen het “uit Hem zijn alle dingen” maar kiest men partij tegen hen die de gansche kosmosverschijning in ontstaan en bestaan willen vastleggen in een ongebroken reeks van oorzaken en gevolg en het zijn der dingen alleen beschouwen als een ontwikkelingsproces “de evolutieleer’ die dan eindigt in het materialistisch begrip van een oer- substantie of in het panteïstisch begrip van de verwerkelijking van het goddelijke.
Gerrit Marinesz. (middelste van de drie voor het schoolbord) in één van zijn bestuursfuncties.
(VI) Verder ga ik hier niet verder op in omdat in een volgende inleiding deze dingen ter sprake komen.
Staat voor ons vast dat de schepping en de daad Gods waarmede hij het buiten hem zijnde tot aanzijn riep, dan weet ik ook wel dat daarmede niet opgelost zijn de vragen die ons menselijk verstand naar voren brengen, maar dan vinden wij door en een rustpunt voor ons geloof dat wij en de gansche schepping het maaksel zijn van een Almachtig God en afhankelijk zijn van een getrouwe Vader.
(VII) Het ontstaan van dingen, van hemel en aarde “in den beginne”. Hemel en aarde, dus alles wat buiten God bestaat, in twee groepen uiteen vallend. Onder hemel is dan te verstaan de plaats buiten het aardsch bereikbare, de woonplaats der engelen, de plaats in Gods schepping waar wij zoo weinig van weten. De plaats waar voor ons de levens raadselen zullen worden opgelost en het geloof zal overgaan in aanschouwen.
In het verdere van het scheppingsverhaal wordt dan ook niet meer over den hemel gesproken. Als het woord hemel wordt gebruikt is dat de aanduiding van hetgeen tot den kosmos behoort, den wolkenhemel, het firmament, de sterrenhemel, alle andere dingen van
(VIII) aardsche bestaansvormen, en tijd en ruimte.
Al blijft dus voor den hemel zooals bedoeld in Gen. 1:1 alles te vragen over, dit moet voor ons vaststaan dat is een werkelijkheid van Gods scheppingsdaad.
Onder de aarde is dan te verstaan de gansche kosmos zooals deze aan de mensch zich voordoet, door hem onderzocht is en onderzocht kan worden; hoe groot wij weten het niet, met hetgeen ons ten dienste staat komen wij tot bewondering en aanbidding. Als er gerekend wordt met afstanden die in lichtjaren wordt uitgedrukt spreekt het begrip groot ons niet meer (méér) toe. Dit alles, dit voor ons gevoel onmetelijke, in zijn ontstaan
(IX) door Gods machtwoord te voorschijn geroepen “in den beginne” op het punt waarop God Zijn raadsbesluit volvoerde in tijd en ruimte en de groote gedachte van schepping, herschepping en voleinding verwerkelijkte.
In het verdere scheppingsverhaal wordt dan de aarde als toekomstige woonplaats der menschen in het middelpunt gesteld. De aarde was woest en ledig, een ongevormd iets, waaruit door de machtige hand van den Schepper te voorschijn kwam wat wij lezen vers 31 van Genesis 1 “en God zag al wat Hij gemaakt had en zei het was zeer goed”. En dan lezen wij in hoofdstuk 3: 17-19: En tot Adam zeide God: “Dewijl gij geluisterd hebt naar
(X) de stem uwer vrouw en van dien boom gegeten hebt, daar ik U om gebood: “Gij zult daarvan niet eten, zoo zij het aardrijk om Uwent wil vervloekt, en met smart zult gij daarvan eten al de dagen Uws levens, ook zal het u doornen en distelen voortbrengen en gij zult het kruit des velds eten, en het zweet uws aanschijns zult gij daarvan eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daar uitgenomen zijt, want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeren”.
Op deze twee teksten moeten wij letten als wij spreken over de schepping. De schepping had plaats in een toestand zooals zij beschreven is in den eersten tekst en wij zien het geschapene zooals de tweede tekst ons dit toekent.
Bladzijde XI uit het schrift met de voordracht.
(XI) Dit houdt niet in dat er geheel geen verband tusschen die twee zou bestaan. De zonde heeft de schepping wel veranderd maar niet vernietigd. In de herschepping heeft God de schepping vastgehouden. Deze opmerking moet wel gemaakt worden om ons ervan te doordringen dat God de wereld in het aanzijn riep in den staat der rechtheid, waar geen disharmonie was, waar de vloek niet werd gekend; houden wij dit in het oog bij het bezien der gebeurtenissen in de scheppingsweek. Na de scheppingsdaad in den beginne volgt de formeering van het licht, door het machtige en God zeide: “Er zij licht”. Welke tijd er ligt tusschen in den beginne en de 1e dag is ons niet geopenbaard in
(XII) de Heilige Schrift, evenmin van welken aard dit licht was. Zo werd het avond en het werd morgen de 1e dag. Over het woord dag hoop ik straks wat te zeggen.
En dan volgt in een rij de dagen der scheppingsweek, waarin God de aarde toebereid tot een woonplaats voor den mensch, om op de 6e dag als afsluiting de mensch te plaatsen op de toebereide aarde waar hij zijn schepper in volle weelde kan dienen. De 2e dag brengt God scheiding tusschen de aanwezige wateren en wordt het uitspansel gesteld, dat door God hemel wordt genoemd.
’t Blijkt hier wel uit dat wij hier het woord hemel hebben in een andere betekenis dan in het eerste vers van den Bijbel. Hier hebben wij te verstaan de wolkenhemel, in strikten
(XIII) zin wordt op den 2e dag niets voortgebracht of geschapen, maar wordt het bestaande verdeeld. ’t Is ook opmerkelijk dat bij den 2e dag niet staat dat het goed was. Op de 3e dag is er weer één van de scheppingsdaden een nieuwe scheiding n.l. van het vaste en het vloeibare, de wateren werden in één plaats verzameld en het droge wordt gezien en God noemde de verzameling van het water zee en het droge noemde hij land. Hoe eenvoudig en majestueus wordt ons het scheppingsverhaal gegeven; niet wordt gemeld hoe dit machtig gebeuren plaats greep.
En dan volgt op den derden dag het scheppingswoord “dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaad zaaiende, vruchtbaar geboomte drogende vruchten
(XIV) naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde”. En de aarde bracht voort en God zag dat het goed was.
In wat sobere woorden wordt ons hier de overweldigende verscheidenheid van de plantenwereld getekend, grasscheutjes, kruid en vruchtbaar geboomte”.
Als menschen dit hadden beschreven zouden er heel wat meer woorden voor zijn gebruikt.
God deelt het ons mede in bewoordingen die door haar eenvoud haar verhevenheid doet uitkomen, in de beknoptheid de verscheidenheid doen schitteren.
Op de derde dag komt het organisch leven op de aarde en kwam daarin in volkomen harmonie uit.
De zonde bracht den vloek en doet de mensch in aanraking komen met doornen en
(XV) distelen, met verderf en vernietiging.
Hoe het in de schoot der rechtheid was, wij weten het niet, maar als na den vloek de schoonheid ons nog zoo toespreekt, hoe schoon moet het dan wel niet geweest zijn, toen het uit Gods woord voortkwam.
De plantenwereld is maar niet iets wat er bij de schepping er zoo maar bij komt, maar is een scheppingsdeel waardoor God zijn grootheid doet kennen.
Als de rivier op Patmos ook herkent de nieuwe hemel en de nieuwe aarde dan wordt daarin ook melding gemaakt van de bomen die staan aan de Gods rivier.
Dan volgt de 4e scheppingsdag, waarop God de hemellichamen stelt in verband met de aarde, tot scheiding tusschen
(XVI) dag en nacht, tot teekenen, gezette tijden dagen en jaren.
Deze scheiding tusschen dag en nacht en dus blijkbaar een andere dan de scheiding in vers 4 genoemd tusschen licht en duisternis.
Ook op dezen dag wordt de aarde in het middelpunt van het heelal beschouwd en de hemellichamen worden bezien in hun verhouding tot de aarde.
Zoo nadert de woonplaats van den mensch de voltooiing en volgt de tweede dag, de dag waarop een deel van de dierenwereld door God wordt voortgebracht. Visschen en vogelen naar hun aard, hier dus ook de verscheidenheid.
Wel zijn hier vragen naar voren te brengen in verband met
(XVII) opgravingen en het vinden van dieren zoals wij ze niet meer kennen. Wanneer en hoe deze dieren zijn verdwenen zal wel niet met zekerheid zijn te zeggen. Als we echter in aanmerking nemen dat een tijdsduur van een eeuw reeds lang genoeg is om het verdwijnen van diersoorten te constateeren is zeker in de eeuwen die er liggen tusschen de schepping en het heden voldoende mogelijkheid van uitsterven.
Ik weet wel dat met deze simpele opmerking niet alles is verklaard, er blijven vragen van geologische en biologische aard waarop het antwoord niet met zekerheid is te geven. Zij wijzen hier naar geweldige veranderingen die op de aarde hebben plaats gehad.
(XVIII) Dezelfde vragen doen zich ook voor bij de dieren die op den zesden dag zijn voortgebracht.
Op dezen dag klinkt het scheppingswoord: “De aarde brenge levende zielen voort naar haren aard en daarop volgt de schepping van den mensch. Worden de vorige scheppingsdaden voorafgegaan door een scheppingswoord, bij de schepping van den mensch gaat daaraan vooraf een beraadslaging “Laat ons menschen maken” door de
kerk van alle eeuwen gewoonlijk opgevat als de eerste aanwijzing van de drie-eenheid.
’t Is alsof dat God zich in zijn volheid uit om het laatste schepsel in het aanzijn te roepen en daarmede Zijn schepping te voltooien. Uitvoerig wordt dit laatste
(XIX) scheppingswerk ons geteekend. Uit het stof der aarde gevormd, den adem des levens in zijn neusgaten geblazen, naar Gods beeld gemaakt. Daarmede is aangegeven de onderscheiding van den mensch als schepsel van andere schepselen.
In hem is hemel en aarde vereenigd, door de stof verbonden aan het zijn der stoffelijke wereld, door het beeld Gods ingeschakeld in het hemelleven.
Zoo was dan de gansche schepping voltooid in zes dagen. In zes dagen volbracht.
(XX) Wat is over deze zaak al geschreven en gesproken over de vraag wat wij in het scheppingsverhaal onder “dag” hebben te verstaan. HL [hectoliters] inkt zijn er aan besteed, en zijn wij veel verder gekomen.
Toch is het misschien niet ondienstig even op deze zaak de aandacht te vestigen en enkele meningen hieromtrent naar voren te brengen. Wel staat deze kwestie thans niet in het middelpunt van ons Gereformeerde leven, maar toch blijkt steeds dat er belangstelling voor bestaat.
Vooreerst bestaat soms de mening die aan het woord “dag” in het scheppingsverhaal de letterlijke betekenis toekennen en dus het scheppingsgebeuren insluiten in 6x24 uur.
Anderen achten de 24 urigen tijd kring alleen toepasselijk vanaf de 4e dag omdat toen door de zon de gewone dagindeling
(XXI) werd gevormd. Dit gevoelen wordt o.a. voorgestaan door ds. Kuyper [Abraham Kuyper, theoloog, staatsman, predikant en journalist (1837-1920)] Dec. Blz.85.
A. Kuyper
Ook ds. Bavinck [Herman Bavinck, predikant, theoloog en politicus, 1854-1921] wijst deze richting uit, doch voegt er aan toe dat er geen bewijs is dat de laatste scheppingsdagen tijdruimten van 24 uur zijn geweest, omdat niet aan ons bekend is dat de verhoudingen in het zonnestelsel toen dezelfde waren als waaronder wij leven. De val en de zondvloed hebben geweldige veranderingen gebracht, niet alleen op de aarde maar ook in de dampkring (Dag II blz. 462/63.)
H. Bavick
Prof. Noordzij [Dit moet prof. dr. Maarten Noordtzij (1840-1915) of zijn zoon prof. dr. Arie Noordtzij zijn (1871-1944) die beiden veel werk hebben gedaan in exegese van het oude testament. Wij zijn via de Noordtzij familie aan hen verbonden en ze staan in het boek van M.P. van der Steen over die familie] ziet het hele scheppingsverhaal in het licht van de sabbat. Bij de toekenning van zes dagen is het er niet om te doen het verloop van een natuurproces te teekenen. De zes dagen
zijn 2 drietallen die overeen-
(XXII) stemming hebben en als geheel de strekking hebben de uitnemende heerlijkheid van den mensch in het licht te stellen dat zijn bestemming bereikt in den sabbat. De sabbat wordt ons getoond als in de schepping gegrond. De scheppingsdaden worden dan in het raam van een dag voorgesteld, in het scheppingsverhaal valt dus niet den nadruk op het begrip “dag” maar op het getal “6+1” blz 79 enz.
Ten slotte wil ik nog even wijzen op hetgeen een Christen-bestuurskundige Prof. Sizoo [Prof. Gerard Sizoo is in 1930 op 29 jarige leeftijd benoemd tot hoogleraar natuurkunde] over deze dingen zegt in zijn boek “Radioactiviteit”.
Via een wetenschappelijk betoog, waarvan ik heel weinig snap, deelt hij ons het volgende mede: De stoffelijke natuur doet zich aan ons voor in een groote
G. Sizoo
(XXIII) verscheidenheid van vormen. Al deze verschillende vormen zijn terug te brengen tot verschillende grondstoffen nl. 92; elementen genoemd. Onder deze elementen zijn er een aantal die zich door een bijzondere eigenschap van de anderen onderscheiden. Er gaat een straling van uit, wij hebben allen wel eens van X stralen gehoord. Deze elementen vormen door hun straling andere elementen. Door allerlei vernuftige proefnemingen heeft men kunnen vaststellen de tijd die noodig is voor het vormen van deze andere elementen. Deze berekeningen geven aan tijdruimten van miljoenen jaren (blz. 185).
Prof. Sizoo die uitvoerig deze dingen in zijn boek bespreekt geeft geen eigen exegese over
(XXIV) het scheppingsverhaal maar beroept zich op het volgende woord van Prof. Aaldersz: [Prof. dr. G. Ch. Aalders (1880-1960) aanhanger van Abraham Kuyper] “Of dus de scheppingsdagen werkelijk niet meer door enkele momenten of wellicht een aantal uren of ten slotte vele miljoenen jaren in onze tijdmaat gerekend, hebben geduurd daarvan is het onmogelijk iets te zeggen”. Hij laat dus de zaak onbeslist en opent de mogelijkheid voor een onbegrensde tijdmaat in het scheppingsverhaal.
Wat zullen wij als leken over deze dingen zeggen, nadat onze grote mannen gesproken hebben. Ik heb slechts meningen doen hooren over mannen die met ons buigen voor Gods woord.
Want nimmer mag bij de overwegingen de gedachte voorzitten om Gods woord ondergeschikt te maken aan de meningen van de mannen der wetenschap die wel eens meer dan ze zelf willen erkennen, bouwend op
(XXV) vooropgezette meeningen hun conclusies als onaanvechtbaar voorstellen. Voorzichtigheidshalve drukt Prof. Sizoo zich ook ten opzichte van de wetenschappelijk voorgestelde conclusies aldus uit: “Vatten wij dit alles samen dan komen wij tot de conclusie dat aan de radioactieve methode om de ouderdom van gesteenten te bepalen enkele onderstellingen ten grondslag liggen die elk op zichzelf niet volkomen zeker zijn, maar waaraan in het licht der thans bekende experimentele gegevens en binnen het kader van de thans geldende natuurwetenschappelijke theorieën een redelijke mate van waarschijnlijkheid mag worden toegekend” (blz. 200, zie ook blz. 194).
Wel buitengewoon voorzichtig op onderstellingen die geen volkomen zekerheid hebben, langs de weg van proefnemingen, die alleen
(XXVI) betreffen enkele verschijnselen der dingen, niet de dingen zelf, wordt binnen het raam van thans geldende wetenschappelijke theorieën een conclusie gebouwd, waaraan een redelijke mate van waarschijnlijkheid wordt toegekend. Natuurlijk kan een leek niet oordelen over de waarde der proeven waarop de conclusies zijn gebouwd, doch een vraag doet zich toch een ons voor. Bij het vaststellen der conclusies gaat men uit van de gedachte dat het element dat moet dienen ter bepaling van de gevonden tijdruimte , altijd moet zijn het product van daaraan reeds vooraf beschouwde elementen.
Is het niet mogelijk om aan te nemen dat God de stof in geheel haar volledige samenstelling in het aanzijn riep en in de stof de verouderingsmogelijkheden
(XXVII) vastlegde.
Misschien is deze opmerking dom, dan zullen de natuurphilosofen in ons midden dit wel duidelijk maken.
’t Blijkt echter wel uit alles dat men op al deze vragen en moeilijkheden die zich hier voordoen geen afdoend antwoord zal vinden. God heeft ons het scheppingsverhaal ook niet gegeven voor een puzzelreeks, of als een leerboek der wetenschap, meer als een deel der heilsopenbaring.
Als het begin der uitvoering van het eeuwig raadsbesluit waardoor Hij in schepping, herschepping en voleindiging zijn naam groot wil maken.
Niet de mensch met zijn vragen, niet de stof met haar onbegrijpelijkheden, meer God is het middelpunt der schepping.
Uit hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen.
(XXVIII) Bezien wij zoo de schepping dan knielen wij in dankbaarheid neer, dat hij ons in dit raadsplan heeft opgenomen en in en door ons Zijn heerlijkheid wil groot maken.
Dan zien wij de gansche schepping om ons heen en roepen uit: “Hoe groot zijn uwe werken o Heere, Gij hebt ze allen met wijsheid gemaakt”.
Gerrit Marinusz. op zijn werkplek